Inleiding
De Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de daarbij behorende Invoeringswet Wet IB 2001 (IW 2001) hebben ingrijpende gevolgen voor lijfrente- en kapitaalverzekeringen en bedrijfsspaarregelingen. In de voorstelfase van de beide wetten heeft het Verbond van Verzekeraars zijn commentaar hierop kenbaar gemaakt. Om meer inzicht te bieden in de concrete gevolgen heeft het Verbond van Verzekeraars destijds een aantal praktijkvoorbeelden geselecteerd. Met deze voorbeelden werd niet beoogd een compleet beeld te geven van de gevolgen van de Wet IB 2001 voor de lijfrentepremieaftrek. Wel om een beeld te schetsen waar de fiscale regelgeving rond de lijfrentepremieaftrek tekort schiet. Inmiddels zijn kort na de inwerkingtreding van beide wetten in het kader van de Belastingherziening 2001 al weer niet plannen voor aanpassing van de regelgeving gepubliceerd. Het gaat hier vooral om de afschaffing van de basisruimte. De genoemde praktijkvoorbeelden blijven ook vandaag de dag actueel.
In de Wet IB 2001 is bepaald dat lijfrentepremies in beginsel slechts aftrekbaar zijn indien en voor zover een pensioengat wordt aangetoond. Veel belastingplichtigen zijn echter niet in staat om zelf te constateren of zij een tekort hebben, laat staan om de exacte omvang ervan aan te geven en adequaat actie te ondernemen. Hierna zal worden ingegaan op een aantal aansprekende gevallen waarin een pensioentekort bestaat:
| CASUS 1 | Herintreders geen mogelijkheid om pensioengat te dichten |
| CASUS 2 | Pensioengat door echtscheiding vaak niet te repareren |
| CASUS 3 |
Pensioengat door wisseling van baan |
| CASUS 4 | AOW-gat in 2015 niet fiscaal erkend |
| CASUS 5 | Formule knelt extra bij lage inkomens |
| CASUS 6 | Pensioengat tweeverdieners vaak niet te dichten |
CASUS 2: Pensioengat door echtscheiding vaak niet te repareren
Bij echtscheiding worden de opgebouwde pensioenrechten veelal verevend. Hierdoor 'verliest' de ene ex-echtgenoot pensioenrechten aan de ander. De 'verloren' pensioenrechten kan deze ex-echtgenoot niet met behulp van een lijfrente weer inkopen. Onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 was dit tot op zekere hoogte - vooral dankzij de 1e tranche - wel mogelijk.
De heer en mevrouw De Jong zijn getrouwd in 1984. Op dat moment was de heer De Jong 28 jaar oud. Na 12 jaar, in 1996, is het huwelijk ontbonden. De heer De Jong heeft sinds zijn 25e pensioenrechten opgebouwd. Mevrouw De Jong heeft nooit pensioenrechten opgebouwd. Vanwege de echtscheiding heeft zij recht op de helft van het tijdens de huwelijkse periode opgebouwde recht op ouderdomspensioen. Voorts heeft zij recht op het tot aan de echtscheiding opgebouwde recht op nabestaandenpensioen, het zogeheten bijzonder nabestaandenpensioen. Ten aanzien van deze pensioenrechten bestaan er de volgende twee mogelijkheden:
De heer De Jong heeft tot nu toe een recht op ouderdomspensioen opgebouwd van € 25.000. Hiervan wordt 12/15 evenredig verdeeld tussen hem en zijn ex-echtgenote. Beiden krijgen dus uit de verevening (de eerste drie jaren voor het huwelijk blijven buiten de verevening) een recht op ouderdomspensioen (dat ingaat op het moment dat de heer De Jong 65 jaar wordt) van circa € 10.000.
In het eerste geval houdt de heer De Jong een voorwaardelijk recht op het deel dat is toegewezen aan zijn ex-echtgenote: namelijk in geval van haar voortijdig overlijden. Daar de kans op vooroverlijden doorgaans niet erg groot is, heeft de heer De Jong door de echtscheiding feitelijk een pensioentekort opgelopen van € 10.000. Fiscaalrechtelijk wordt dit tekort evenwel niet erkend: voor reparatie van dit pensioentekort door middel van een individuele lijfrente is geen ruimte. Reparatie zou overigens nog wel mogelijk zijn indien de collectieve regeling bij de werkgever hiertoe de ruimte biedt.
In het tweede geval verliest de heer De Jong definitief zijn voorwaardelijk recht op het aan mevrouw De Jong toegewezen deel van de opgebouwde pensioenrechten. Ook bij vooroverlijden van mevrouw De Jong krijgt hij de 'verloren' pensioenrechten niet meer terug. Er is dus nu sprake van een volwaardig pensioengat. Reparatie is echter ook in deze situatie niet of nauwelijks mogelijk.
Een situatie als hier geschetst is geen uitzondering. In 2005 vonden circa 32.000 echtscheidingen plaats. Sinds 1 mei 1995 (toen de Wet Verevening pensioenrechten van toepassing werd) zijn meer dan 400.000 echtparen gescheiden die allen met een dergelijk pensioengat kunnen worden geconfronteerd.
up
CASUS 3: Pensioengat door wisseling van baan niet altijd te repareren
Bij verandering van baan kan een pensioengat ontstaan (pensioenbreuk). Dit gat kan slechts in beperkte mate gerepareerd worden. Naarmate een werknemer vaker van werkgever wisselt of de salarisvooruitgang groter is, zal reparatie steeds moeilijker worden.
Marcel Jansen werkte tot en met 1994 bij een speciaalzaak voor kaas en noten. In 1995 koos hij voor een loopbaan op de afdeling marketing van een zuivelfabriek. Op het moment van de wisseling van baan was de heer Jansen 40 jaar. Bij de oude werkgever had hij 15 (pensioen)jaren gewerkt en had voor de overgang naar de nieuwe functie een salaris van € 35.000,-. Na de verandering van baan ontvangt hij van zijn nieuwe werkgever € 45.000,-.
Na deze baansverandering zijn de pensioenrechten van de heer Jansen overgedragen van het pensioenfonds voor de detailhandel naar het pensioenfonds voor de zuivelindustrie. Bij de oude werkgever kon hij in 40 dienstjaren 70% van het eindloon als ouderdomspensioen opbouwen. Dit is omgezet in pensioenrechten bij de nieuwe werkgever waar een vergelijkbare pensioenregeling geldt. Hierbij heeft hij 5 pensioenjaren verloren. Dit kan als volgt worden berekend:
Oude rechten: 15 x 1,75 x (€ 35.000 -/- € 15.000) = € 5.250;
Aantal ingekochte dienstjaren: € 5.250 / 1,75 x (€ 45.000 -/- € 15.000) = 10 jaar.
Bij de nieuwe werkgever komt hij derhalve maximaal op 35 dienstjaren. Dit betekent een teruggang van zijn rechten op ouderdomspensioen met bijna 10%. Het pensioenverlies wordt alleen maar groter als Marcel Jansen nogmaals of nog een aantal malen van werkgever wisselt. Ditzelfde geldt naarmate de salarisvooruitgang bij wisseling van werkgever bij Marcel groter is.
Op zich biedt de Wet IB 2001 de ruimte om een pensioengat te dichten. Echter, naarmate het pensioengat groter is – vanwege het meermaals wisselen van werkgever of vanwege een grote(re) salarisvooruitgang – zal het pensioengat steeds moeilijker te dichten zijn.
Indien er door wisseling van werkgever een niet te dichten pensioengat ontstaat, zal een werknemer geneigd zijn om niet van werkgever te wisselen. Dit zal de mobiliteit van werknemers niet ten goede komen.
NB: In de berekening is geen rekening gehouden met de kosten, die inherent zijn aan de waardeoverdracht. Wanneer hier wel rekening mee wordt gehouden, zal het pensioengat in omvang alleen nog maar toenemen.
up
CASUS 4: AOW-gat 2015 niet fiscaal erkend
Bij de opbouw van het pensioen wordt vaak aangenomen dat de gepensioneerde een volledige AOW ontvangt. In dit voorbeeld wordt de eerste tien jaar na pensionering slechts de 'halve AOW-uitkering' verkregen, waardoor het jaarinkomen circa € 7.500 lager uitvalt. Fiscaalrechtelijk wordt dit gat niet erkend.
Bert de Groot is geboren in 1950 en bereikt in 2015 de pensioengerechtigde leeftijd. Zijn vrouw, Karin, is geboren in 1960 en is dus 10 jaar jonger. Haar zelfstandig recht op AOW begint pas in 2025. Karin heeft geen inkomen. Gedurende de eerste tien jaar, dat Bert met pensioen is, wordt alleen de zelfstandige AOW ontvangen van afgerond € 7.500. Voor een inkomensafhankelijke AOW-toeslag komt het echtpaar niet in aanmerking. Een AOW-gerechtigde heeft immers slechts recht op de toeslag indien hij geboren is vóór 1 januari 1950 en hij een (jongere) partner heeft die geen zelfstandig recht heeft op AOW. In de pensioenregeling van Bert de Groot wordt er echter vanuit gegaan dat hij (samen met zijn vrouw) vanaf de ingang van het pensioen de volledige (dubbele) AOW-uitkering ontvangt. Hoewel deze bepaling in een pensioenregeling zeer gebruikelijk is, leidt deze in de situatie van Bert de Groot tot een pensioengat totdat zijn echtgenote een zelfstandig recht op AOW krijgt.
Bert de Groot verdient € 40.000 en bouwt zijn pensioenrechten op binnen een eindloonregeling met een opbouwperiode van 40 dienstjaren en een opbouwpercentage van 1,75%. De dubbele AOW-gehuwden wordt in het ouderdomspensioen ingebouwd (€ 15.000). In de eerste 10 jaar na pensionering bestaat het inkomen van het gezin uit:
| Ouderdomspensioen: 40 x 1,75% x (€ 40.000 -/- € 15.000) = |
€ 17.500 |
| AOW: | € 7.500 + |
| Totaal: | € 25.000 |
CASUS 5: Formule knelt extra bij lage inkomens
Voor lagere inkomens kan de in de wet gekozen pensioennorm zeer knellend uitpakken. Indien men verwacht niet rond te kunnen komen met 70% van het laatstverdiende salaris en aan wil vullen tot bijvoorbeeld 90%, of indien men een paar jaar eerder met pensioen wil, ontbreken de fiscale mogelijkheden om dit te regelen.
Als de opbouw in de pensioenregeling per jaar 1,75% bedraagt, is binnen de Wet IB 2001 nauwelijks ruimte om telkenjare het optredende tekort binnen de jaarruimte op te vullen. Alleen op hogere leeftijd is er wat meer ruimte om deze te dichten maar nog altijd onvoldoende. Berekeningen tonen aan dat een werknemer met een normale pensioenregeling nauwelijks voor een lijfrenteaftrek in aanmerking komt (zie tabel).
De formule luidt als volgt: 17% x (inkomensgrondslag -/- € 10.203) -/- 7,5A -/- F.
De factor A heeft betrekking op de opbouw van pensioen. In de tabel is dit voor twee regelingen uitgerekend:
De factor F heeft betrekking op de oudedagsreserve en is hier niet relevant.
up
CASUS 6: Pensioengat tweeverdieners vaak niet te dichten
De meeste pensioenregelingen nemen aan dat na pensionering recht bestaat op de dubbele AOW voor gehuwden. Door de toename van het aantal tweeverdieners is dit steeds vaker niet adequaat, waardoor veel pensioengaten ontstaan. Deze gaten worden niet als zodanig fiscaal erkend.
Sabine Dolfing is sinds haar 28e werkzaam in het onderwijs. Haar man, Henk, is sinds zijn 25e jaar eveneens in het onderwijs werkzaam. Beiden werken full-time. Het salaris bedraagt resp. € 35.000 en € 40.000.
In de pensioenregeling van Sabine wordt er van uitgegaan dat zij en haar partner na pensionering recht heeft op de AOW voor gehuwden, dus circa € 15.000. Echter, in de pensioenregeling van Henk wordt hier eveneens vanuit gegaan. Dit leidt er dus toe dat er in totaal rekening wordt gehouden met een AOW-recht van € 30.000, dus twee keer zoveel als er daadwerkelijk zal worden ontvangen door Sabine en Henk tezamen. Hierdoor ontstaat zonder meer een pensioengat.
Sabine heeft vanaf leeftijd 65, uitgaande van een opbouwpercentage van 1,75% een ouderdomspensioen van 37 x 1,75% x (€ 35.000 -/- € 15.000) = € 12.950.
Henk heeft vanaf leeftijd 65, uitgaande van eenzelfde opbouwpercentage een ouderdomspensioen van 40 x 1,75% x (€ 40.000 -/- € 15.000) = € 17.500.
Het gezinsinkomen bedraagt na pensionering van Henk en Sabine:
| Ouderdomspensioen Sabine: |
€ 12.950 |
| AOW Sabine: |
€ 7.500 |
| Ouderdomspensioen Henk: |
€ 17.500 |
| AOW Henk: |
€ 7.500 + |
| Totaal: |
€ 45.450 |
In vergelijking met het huidige inkomen bedraagt het inkomen na pensionering 'slechts' 60,6 procent. In zijn algemeenheid wordt verondersteld dat een adequate oudedagsvoorziening 70 procent bedraagt van het laatstverdiende inkomen. In het hier geschetste geval is er een pensioengat van bijna 10 procent. Dit pensioengat kan slechts in beperkte mate door middel van een lijfrente worden gedicht.
up